Liever arm terug dan been

Bestaat er verschil tussen het amputeren van de arm of een been en de voorzieningen van de prothese?

‘Liever arm terug dan been’

Tijdens de Landelijke Dag zag ik een jonge vrouw met de gratie van een hinde door het water bewegen. Ware het natuurlijk niet dat een hinde minder gracieus zwemt dan dat ze over het land huppelt. Mooi zwemmen doet een dolfijn weer wel, maar dat is toch een beetje vettig dier en dat is Irma niet en over haar hebben we het. Irma van Bussel assisteerde daar zwemtrainster Jacqueline Nannenberg. Irma heeft in 1996 meegedaan aan de paralympics en mist een arm en een been.

Irma was 24 toen ze met de motor een kruispunt overstak en geschept werd door een auto die niet stopte. Het ongeluk was niet haar schuld, maar daar heb je weinig aan als je arm en je been er af zijn. Van het ongeluk zelf kan ze zich niets meer herinneren, ze is ongeveer anderhalf uur buiten westen geweest, maar via de reconstructie van de politie heeft ze er wel een beeld van. “Toen ik wakker werd in het ziekenhuis drong het eigenlijk amper tot mij door dat ik mijn ledematen miste. Je bent zo duf. Natuurlijk; het is je verteld en je weet het wel, maar het doet je niet zoveel en dan val je weer in slaap. Maar ook toen ik helderder was heb ik er geen grote schok van gehad. Het ergste vond ik het nog dat ik net een half jaar voor mijzelf begonnen was. We hadden hier aan het huis een kapsalon gebouwd en die begon net lekker te lopen. Die heb ik op moeten geven, want met één arm kan ik niet knippen.”

Er bleven vier tondeuse-klanten over, maar daar kan je geen praktijk van onderhouden. Irma heeft eerst een paar jaar niets gedaan en zich toen op het zwemmen gestort. Al als tienjarig kind zwom ze goed en deed mee aan wedstrijden, dus het was een logische stap dit weer op te pikken. Irma: “Ik wist dat je eigenlijk altijd kan zwemmen. Ik denk dat als je alleen een hoofd heb met twee flaporen, je nog blijft drijven. Sommige mensen zeggen weleens: kan je nog wel zwemmen met één been en één arm? Dat vind ik zo’n rare vraag. Natuurlijk kan dat. Het drijfvermogen van een mens is enorm.” In ’95 begon ze met professioneel zwemmen en in ’96 deed ze in Atlanta mee met de paralympics, maar daarna stopte ze met de echt grote wedstrijden. Irma: “Ik was eigenlijk opgebrand. Ik vond het niet leuk. Ik had steeds het idee: ‘Ik moet, ik moet, ik moet’, ik had er geen lol in. De kleinere wedstrijden ben ik wel blijven doen, want dat vond ik wel leuk. Ik denk dat het te snel gegaan is. Als ik langere tijd had gehad om naar de topsport toe te groeien, was ik misschien aan die wereld gewend. Maar nu kon ik er niet helemaal voor gaan. Als je topsporter bent moet dat eigenlijk het enige zijn waar je mee bezig bent, maar ik wilde zoveel meer doen en niet alleen leven voor de sport.”

In ’99 stopte ze helemaal met wedstrijdzwemmen. “Dat was mijn laatste Nederlands Kampioenschap. Ik vond het te ontmoedigend worden. Als je niet meer zoveel traint, dan liggen je tijden zó anders dan tijdens de paralympic-periode. Die kan je nooit meer evenaren en dan is het niet meer leuk.’’ De sporen van het wedstrijd-zwemmen hangen nochelant aan de muur in haar werkruimte: een flinke bos medailles in alle kleuren metaal. De Drentse traint nog wel gewoon omdat ze zwemmen lekker vindt, bij een zwemvereniging voor gehandicapten. Daar zwemt ze gemiddeld zo’n 1800 meter in een uur volgens een schema dat aan de muur opgehangen wordt. Ze zwemt bij de vereniging voor gehandicapten omdat het een leuke ploeg is met een afwisselend trainingsschema. Niet omdat ze het moeilijk vindt om tussen validen te zwemmen. “Zwemmen bij gewone clubs heb ik in mijn wedstrijdperiode wel gedaan. Zwemmen is veel te lekker om het niet te doen. Als je je wat aantrekt van blikken van anderen, en daardoor niet gaat zwemmen, dan straf je jezelf. Mensen kijken even en gaan dan weer over tot de orde van de dag.”

Rolstoel

Waar Irma wel een hekel aan heeft is de rolstoel. “Je bent dan direct zo laag. En ik heb ook wel meegemaakt dat ze dan aan je haar gaan zitten. Misschien dat ik daar extra snel door geïrriteerd raak omdat ik ex-kapster ben.’’ Waar ze ook een hekel aan heeft zijn opmerkingen of ze haar arm gebroken heeft. Vaak zien mensen niet direct dat ze haar arm mist en denken ze dat ie in een mitella zit onder haar kleren. “Ik heb ook weleens meegemaakt dat een wildvreemde kerel met zijn arm in een mitella mij aansprak. Hij zei: ‘Wij kunnen elkaar de hand wel schudden’ en begon ongevraagd een heel betoog over zijn persoonlijke drama. Ik liet hem maar uitpraten en toen hij eindelijk klaar was zei ik: “Gelukkig heeft u nog een hand die u kunt schudden, maar die heb ik niet meer.” Irma vraagt zich af waar mensen de brutaliteit vandaan halen om zomaar botweg te vragen wat er nu eigenlijk met je gebeurd is. Nog een negatieve ervaring toen ze een keer boodschappen had gedaan in de rolstoel: “Het regende toen en ik ben niet het type om te schuilen, ik ga gewoon door. Toen sprak iemand mij aan en vroeg: ‘Mag je met dit weer wel naar buiten’.”

Logisch dus dat Irma liever de prothese gebruikt dan de rolstoel. Omdat ze maar één arm heeft kan ze niet met krukken lopen en dat betekent dat ze een heel goede prothese moet hebben en dat is gelukkig ook zo. “Ik heb nooit problemen gehad met de prothese. Mijn fysiotherapeute zei: ‘Al geven we jou een stok, dan nog kan je ermee rennen’.” Echter Irma heeft nu geen stok maar een C-leg. En de kosten worden niet eens verhaald op de veroorzaker van het ongeluk. “Mijn revalidatie-arts heeft de aanvraag goed toegelicht, beschreven dat ik als jonge, actieve vrouw zo’n knie gewoon nodig heb. Bovendien is veiligheid voor mij als dubbel geamputeerde heel belangrijk. Omdat ik niet met krukken kan lopen, kan ik als ik door een weiland moet niet even krukken meenemen omdat het makkelijker gaat. Maar met deze C-leg kan ik zelfs in het donker door een weiland. En ook trappen aflopen gaat er prima mee.”

Een armprothese gebruikt ze niet. “Ik mis ook mijn schouder en dan krijg je een hele grote kap op je lijf. Ik heb er wel een geprobeerd, maar had het gevoel dat ik drie keer zo breed was. En je kan eigenlijk niks met zo’n kunstarm. Nou oké, je kan er een glas mee vasthouden, maar dan heb je het ook wel gehad. Het is een dood ding dat aan je hangt en wat je moet bedienen met je andere schouder. Niet functioneel en dat is een beenprothese wel. Zonder armprothese kan ik alle dingen die ik vroeger ook kon, alleen gaat het langzamer. Bijv. vroeger kon ik een boek lezen met een kopje koffie in de andere hand. Nu moet ik het boek wegleggen om de koffie te pakken. Maar het gaat. Er zijn wel dingen die ik niet doe, maar dat is eigenlijk vooral omdat ik ze niet leuk vind. Als ik het zou willen zou het wel kunnen. Dat zijn klusjes als strijken en ramen lappen. Ik heb een keer in de week een hulp in de huishouding en mijn man Willem is ook niet te beroerd om de handen uit de mouwen te steken. Een paar dingen zijn wel lastig. Dat is boodschappen doen met een volle tas en bijvoorbeeld vlees snijden.” Echter van de reklame op tv weten we al dat het meestal de man is die het vlees snijdt J en het boodschappen-probleem heeft Irma opgevangen door dat te doen met een Sinner-ligfiets met een bakje achterop en zo’n ‘ouwe wijven boodschappentas op wieltjes’, zoals Irma het zelf noemt.

Oops, probleem

Aldoende leert men wordt weleens gezegd en zo had Irma toen ze net geamputeerd was en nog geen prothese had een lastige praktijkervaring. “Ik was de stad in gegaan en had wat gekocht bij Blokker, dus een volle tas. Die kon ik makkelijk vasthouden, geen probleem. Toen ging ik een andere winkel in, zag weer wat leuks en kocht dat en toen was het: Oops, probleem, waar laat ik die tweede tas. Ik heb toen de tassen maar aan elkaar geknoopt en aan de kruk gebonden.” Een rugzak kan Irma niet gebruiken omdat ze haar schouder mist; wel tassen die je kruislings kan dragen.

De Drentse houdt erg van kinderen. Zelf heeft ze een dochterje van vier. Het verzorgen van haar kind heeft nooit problemen gegeven met haar handicap. “Tillen vond ik wel gevaarlijk toen ik de C-leg nog niet had, maar dat probleem is nu ook weg. Ik vervoerde haar vooral met de kinderwagen door het huis. We leefden toen beneden, daar hadden we ook een badkamer en slaapkamers, maar tegenwoordig hebben we ook de bovenverdieping weer in gebruik. Ik ga via een rolstoellift met de rolstoel naar boven.”

Het verschonen van Tessa heeft nooit een probleem opgeleverd. “Het is ook alsof kinderen het aanvoelen dat je een handicap hebt, want bij mij was ze altijd rustiger dan als Willem of iemand anders haar verschoonde en ze wist dat ze haar billetjes omhoog moest houden. Het enige dat lastig is met een kind, is dat je geen veters kan strikken, maar dan koop je gewoon schoenen met een ritsje en ze moet het strikken verder maar snel zelf leren. Of het door mijn handicap komt of een karaktereigenschap van haar is weet ik niet, maar ik heb wel het idee dat Tessa veel zelfstandiger is dan haar leeftijdgenootjes.”

Voor Irma en Willem zelf kinderen hadden, hebben ze ook pleegkinderen in huis gehad en begeleid. De stap naar haar huidige baan als onderwijsassistent op een ZMLK-school voor moeilijk lerende kinderen was dan ook niet zo groot. “Rond ’96, toen het zwemmen over was, dacht ik: ‘Ik wil wel weer iets gaan doen. Vooral ook om weer ritme in de week te krijgen. Ik dacht niet direct aan iets met kinderen, maar de opleiding voor sociaal pedagogisch werk trok mij erg. Via de stage kwam ik bij een ZMLK-school terecht en daar ben ik blijven hangen.” Irma werkt er nu één dag in de week als vrijwilliger. “Dat is genoeg. Ik heb wel meer uren gemaakt maar dat was echt te zwaar. Ik weet nu dat twee dagen het absolute maximum is.” Een van Irma’s hobby’s is kleren maken. Natuurlijk voor Tessa, maar ook voor haarzelf. Ze maakt haar eigen T-shirts die uiteraard maar één mouw hebben. Ook de BH’s worden aangepast en krijgen een kruislingse sluiting vanwege het missen van de schouder.

Geblinddoekt lopen

Lid van een vereniging op gebied van amputaties is Irma niet. Ze raakte op de Landelijke Dag van de LVvG verzeild omdat Jacqueline haar gevraagd had. “Ik heb zo’n vereniging niet nodig. Als ik een probleem heb, zoek ik zelf de oplossing. Ik heb ook geen behoefte aan psychische ondersteuning van andere lotgenoten en mijn protheses zitten altijd goed. Ik zou dus eigenlijk niet weten wat zo’n vereniging mij kan bieden. Wat ik wel heel leuk en nuttig vind zijn de loopclinics. Ik ben er naar een hier in de buurt toegeweest. Je moet dan onder andere geblinddoekt lopen en al denk je dat je in een rechte lijn loopt, je komt in een totaal andere hoek terecht dan je verwacht. En het grappige is dat alle links-geamputeerden aan de linkerkant uitkomen en alle rechts-geamputeerden aan de rechterkant, zonder uitzondering. Ook moest je lopen in een teugeltje met de fysiotherapeut achter je. Je moet dan naar voren hangen in die teugels. Dit om je goed te laten steunen op de prothese. Als je loopt met de prothese moet je ook een beetje naar voren hangen. Eigenlijk zou het standaard moeten zijn dat je, als je een prothese krijgt, ook een keer per jaar weer een opfriscursus lopen krijgt, want je hebt er veel aan.’’

Als er een elfje met een toverstaf op Irma zou afkomen en zou zeggen: ‘Je mag nu één ledemaat terugvragen, zeg het maar, wordt het je arm of je been?’, dan zou Irma voor de arm kiezen. “Want met de prothese kan ik heel goed overweg. Ik voel weinig belemmeringen met het hebben van een beenprothese. En er komt ook een stukje ijdelheid bij. Het is veel zichtbaarder dat je een arm mist. En door het missen van een arm kan ik minder doen. Ik zou graag weer willen motorrijden.”

Die wens komt gedeeltelijk wel in vervulling want Irma en Willem zijn van plan haar oude motor om te bouwen tot een trike, een driewieler. Minder stoer dan een ‘gewone’ motor, maar toch weer lekker ‘on the road’. Irma: “We hebben alle spullen al in huis, maar alleen nog niet de tijd om er direct aan te beginnen. Tot die tijd gaat ze graag achterop bij Willem naar motor-treffers. “Nee, ik heb helemaal geen angst om achterop te gaan. Misschien dat het komt doordat ik niets meer van het ongeluk weet, of omdat ik rationeel denk: het was een ongeluk en dat overkomt je. Toevallig met de motor, maar voor hetzelfde geld was het een ander ongeluk geweest. Niets te maken met het soort voertuig, maar gewoon: pech gehad.”

Geef een reactie